Longread: de invloed van de Tachtigjarige oorlog op het ontstaan van de universiteiten in de Noordelijke Nederlanden.

Van protest naar institutionalisering

Op 10 augustus 1566 verspreidde de Beeldenstorm zich vanuit Steenvoorde over de gehele Spaanse Nederlanden. Het zogenaamde wonderjaar ging van start en luidde het begin in van een langdurig en complex conflict: de Tachtigjarige Oorlog, soms beter bekend als de Nederlandse Opstand. Deze opstand, gestart in 1566, hield uiteindelijk aan tot de ondertekening van de Vrede van Munster in 1648.[1] Verschillende Nederlandse gewesten vochten in deze oorlog voor hun onafhankelijkheid ten opzichte van de Spaanse kroon. Ze verenigden zich, onder leiding van Willem van Oranje, om hun doelen te bereiken en zich te organiseren. Terwijl deze evoluties zich voltrokken, tekenden nieuwe grenzen zich af. Deze grenzen stonden niet vast en elke ontwikkeling op politiek of militair vlak kon dan ook voor een verschuiving zorgen.[2] Bovendien ging het dagelijkse leven in beide gebieden gewoon door. Hierbij stootten beleidsvoerders regelmatig op problemen. Een land dat plots in twee verschillende entiteiten verdeeld was, moest op verschillende gebieden aangepast worden aan de situatie. Ook het academische leven in beide gebieden was aan enkele veranderingen onderhevig.

Ondanks het conflict hadden beide gebieden, net als voorheen, nood aan bekwame ambtenaren en academici. Om zich aan te passen aan de veranderende situatie voerden de universiteiten verschillende hervormingen door. Vooral in de jonge Republiek stond ook het stichten van nieuwe instellingen hoog op de agenda. Hier waren tot voor de opstand geen universiteiten en week men voor een academische studie vooral uit naar Leuven. Door de oorlog werd een studie in Leuven bemoeilijkt en was de Republiek vooral op zichzelf aangewezen. Met de stichting van de Leidse universiteit in 1575 kregen de Noordelijke Nederlanden hun eigen universiteit. In deze longread zal ik uiteenzetten hoe de universiteiten in de Noordelijke Nederlanden ontstonden en hoe de enorme vluchtelingenstroom ten gevolge van de voortdurende oorlogsdreiging daar een grote bijdrage aan leverde.[3]

 

Het Leidse Ontzet en de komst van de universiteit

Leiden, dat tot 1572 trouw was gebleven aan de Spaanse kroon, werd in 1574 ontzet na een maandenlange belegering door de watergeuzen, nadat deze de dijken hadden doorgestoken en zo de Spaanse legerkwartieren onder water lieten lopen.[4] Het Leidse ontzet bracht de stad dichterbij de prinsgezinden en vooraanstaande Leidse notabelen engageerden zich voor de verdediging van de stedelijke belangen. In de periode die hierop volgde, werd de stichting van een universiteit in de Republiek een prioriteit. De Spaanse kroon stuurde aan op vredesonderhandelingen en de Oranjegezinden wilden de stichting van de universiteit voltooien voordat de vredesonderhandelingen van start gingen. Dit om te voorkomen dat de stichting van een eigen universiteit tijdens deze onderhandelingen onmogelijk werd gemaakt. Daarom was er heel wat haast bij de oprichting van deze instelling.[5] De leiders van de opstand begonnen de nieuw gestichte staat te institutionaliseren en Leiden begon zich na de ontzetting steeds meer te profileren als de ideale plaats om een universiteit te huizen.[6]

De bevelhebber tijdens de tweede belegering en de ontzetting van de stad, Jan van der Does, was een ware duizendpoot. Naast leidinggevend figuur van de troepen in Leiden, was hij geleerd filoloog en maakte hij deel uit van het Eedverbond der Edelen. Dit verbond klaagde in 1566, via een smeekschrift, nog de vervolgingen van protestanten door de Spaanse overheid aan. Dit, in combinatie met zijn academische carrière als bibliothecaris en overtuigd humanist, maakte van hem de perfecte kandidaat om met de oprichting van de universiteit van start te gaan.[7]

Van der Does, overtuigd door Humanisme en universeel idealisme, voltooide de stichting binnen enkele weken en zorgde ervoor dat de universiteit al op 8 februari 1575 plechtig kon worden geopend. Het bleef louter bij een symbolische opening, omdat er nog amper professoren waren, en ook studenten bleven nog voor enige tijd afwezig.[8]

Toch had de aanhoudende oorlog een langzaam stijgend studentenaantal tot gevolg. Het werd voor veel personen uit de Noordelijke Nederlanden onmogelijk om een academische studie in Leuven te volgen en velen moesten dus uit noodzaak uitwijken naar Leiden. Daarnaast bracht het conflict een vluchtelingenstroom van Zuid naar Noord op gang. Vooral vanaf 1585, bij de val van Antwerpen, namen veel inwoners van de Zuidelijke Nederlanden de beslissing om de oorlogsdreiging te ontvluchten. Hierbij zochten ze veiligere oorden op in het Noorden. Het kapitaal en hun knowhow namen ze mee over de verschuivende grens. Dit zorgde meteen voor een influx van kennis in de instellingen van de Noordelijke Nederlanden, waaronder de Leidse universiteit. De vluchtelingenstroom bracht nieuwe studenten en professoren naar Leiden, waardoor de universiteit eindelijk kon gaan functioneren.[9]

 

Leiden als Bolwerk der Vrijheid

Van der Does, ook wel Dousa genoemd, nam dus samen met een aangesteld college het voortouw bij de oprichting van de universiteit. Net als Dousa had ook het college een voornamelijk humanistische visie op het leven. Deze visie ging ervan uit dat een humanistische scholing een betere samenleving kon voortbrengen. Ze hoopten via de universiteit deze gedachten uit te dragen, om zo de godsdienstige twisten die de oorlog veroorzaakten, te overstijgen. De instelling onderscheidde zich al vlug van de universiteiten aan de andere kant van de grens door haar relatieve openheid en religieuze tolerantie ten opzichte van de buitenwereld. Hierdoor groeide Leiden uit tot een ontmoetingsplaats voor academici van diverse strekkingen, zijnde katholiek of protestants. Deze open blik op het leven en de wetenschapsbeoefening trok een internationaal gamma van vooropstaande geleerden aan, waaronder Justus Lipsius.[10]

Deze geleerde is het levende voorbeeld van de invloed die de Tachtigjarige Oorlog had op het academische leven in de Nederlanden. Lipsius startte zijn studie aan het Leuvense Alma Mater in 1564, waarna hij een tijd in Rome verbleef om zich daar in de verschillende bibliotheken te verdiepen. Kort daarna kwam hij weer in Leuven terecht om daar zijn studie voort te zetten. In 1578 was de oorlogsdreiging in Leuven echter te groot geworden en besloot Lipsius te vluchten naar de Noordelijke gewesten. Hier kwam hij met hulp van zijn kennis en vroegere studiegenoot, Dousa, terecht aan de Leidse universiteit. Met behulp van Dousa kon Lipsius colleges geven in recht en geschiedenis en op deze manier bijdragen aan de groei van de jonge instelling.

Hoewel Justus Lipsius Leiden enkele jaren later alweer verliet en in Mainz opnieuw trouw zwoer aan het katholicisme, is zijn bijdrage van onschatbare waarde geweest voor de universiteit en zijn verdere groei. Vele intellectuelen volgden het pad van Lipsius en vonden een tolerante vrijhaven in Leiden, nadat de toestand in het Zuiden steeds penibeler werd. Bij de val van Antwerpen in 1585 kwam deze stroom pas echt op gang, toen de oorlogsverschrikkingen velen deden vluchten op zoek naar een beter leven.[11]

 

Franeker en zijn theologische faculteit

De vluchtelingenstroom reikte echter verder dan Leiden. De grootste delen van de Noordelijke Nederlanden ondergingen een instroom van oorlogsvluchtelingen. Toch hadden deze vluchtelingen slechts een kleine invloed op de stichting van de tweede oudste universiteit in het Noorden. Deze universiteit, gelegen in de Friese stad Franeker, trok een onbeduidend aantal Zuid-Nederlandse studenten aan. De universiteit werd in 1585 gesticht als calvinistische universiteit om te voorzien in colleges voor studenten die niet konden afreizen naar Leiden en die bovendien in conflict lagen met de tolerante houding van Leiden ten opzichte van de katholieke leer. Het kleine aantal studenten afkomstig uit het Zuiden bestond voornamelijk uit hardline calvinisten, die gevlucht waren uit Leuven en waarvan de religieuze gedachtegang niet strookte met die van de Leidse universiteit.

De Oranjes en hun calvinistische raadsheren zagen Franeker als een machtsbasis voor het uitdragen van de calvinistische leer. Vandaar dat de theologische faculteit al snel de hoogste populariteit kende. Vanaf 1585 begonnen de machthebbers in het Noorden meer en meer te beseffen dat de institutionalisering van de staat prioriteit moest krijgen. De uitbouw van een eigen godsdienst, de protestantse, speelde hierbij een belangrijke rol. Om dit te bereiken was de opleiding van geestelijken noodzakelijk en hierin speelde Franeker de hoofdrol. De dominees die een academische opleiding hadden genoten in Franeker, waren namelijk een belangrijk wapen in de strijd voor een onafhankelijk Noorden.[12]

 

Besluit

De eerstvolgende universiteit in het Noorden werd gesticht in Groningen in 1614, tijdens het Twaalfjarig Bestand. Hiermee voltooide de ondertussen gestichte Republiek der Verenigde Nederlanden voorlopig zijn academische infrastructuur. De opstand en de polarisatie met het Zuiden verplichtte de jonge staat tot de institutionalisering van een eigen onderwijsnet, dat verder ging dan de universitaire opleidingen. Zo werd er langzaamaan ook een net van particuliere lagere scholen en illustere scholen uitgebouwd. Met Leiden als voorbeeld volgden Franeker en Groningen al snel het academische avontuur. Elk van deze instellingen droeg, met behulp van vluchtende academici, bij tot de heropbouw van de wetenschappelijke wereld in het Noorden, zodat de Noordelijke Nederlanden tot een zelfstandige staat konden uitgroeien. Deze staat was op het vlak van hoger onderwijs niet langer afhankelijk instellingen in het Zuiden en bereikte zo een belangrijke mijlpaal in zijn onafhankelijkheid.

Goran Verluyten

Deze longread verscheen eerder op uitgeverij Jonge Historici.

NOTEN

[1] Israel, I., The Dutch Republic: Its Rise, Greatness, and Fall: 1477-1806 (Oxford 1995) 125-132.

[2] Blom, J. C.H., Lamberts, E., Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam 2014) 138-145.

[3] Ruëg, W., A history of the University in Europe: Universities in Early Modern Europe, 3 dln. (Cambridge 1996) 115.

[4] Israel, The Dutch Republic, 179-190.

[5] Van Dorsten, De Leidse universiteit 400, 12.

[6] Blom en Lamberts, Geschiedenis van de Nederlanden, 135-140.

[7] Van Dorsten, J. A., De Leidse universiteit 400 (Amsterdam 1975) 10.

[8] Ibidem, 11.

[9] Briel, J., De Zuid Nederlandse immigratie 1572-1630 (Haarlem 1978) 56-58.

[10] Van Dorsten, De Leidse universiteit 400, 14.

[11] Esser, R., The Politics of Memory: The Writing of Partition in the Seventeenth-Century Low Countries (Leiden 2012) 211-215.

[12] Ottespeer, W., Werkplaatsen van Wijsheid, Geleerdheid en het Ware Geloof of de Wisselwerking tussen de Universiteiten van Leiden en Franeker (Franeker 1985) 7-25.

Borderlands: hoe een grens meer is dan een lijn op een kaart

mexicaansemuur

Toen er vorige week tijdens een oefenzitting rond de Nederlandse opstand een discussie ontsproot rond de definitie van het grensbegrip, spitste ik ogenblikkelijk de oren als was ik een Iberische Oehoe die in de wind van de nacht een geritsel hoorde van wat wel eens zijn volgende prooi zou kunnen zijn. Dit was namelijk het soort dialoog waar ik al langere tijd op zat te wachten om een paar prangende vragen op te lossen die mij al ontelbare nachten uit mijn slaap hadden gehouden.

Zeker gezien het huidige politieke klimaat in Oekraïne en het Midden-Oosten is het grensbegrip een boeiend gegeven om eens van nader bij te bekijken. Wat betekend een grens voor de verschillende staten die er door worden gevormd en wat zijn de gevolgen van diezelfde grens voor de populatie die zich op het terrein bevindt? Kan er überhaupt over een grens gesproken worden als een fysiek object of is het eerder een mentale constructie?

In het politiek en historisch wetenschappelijk debat rond deze problematiek is vooral het concept borderlands van groot belang. Deze spectaculaire notie slaat dan wel niet op de gelijknamige consolegame of een nieuwe Netflix serie, toch is het in de context van het politiek en historisch onderzoek soms even meeslepend. De borderlands, in de context die relevant is voor dit artikel, hebben betrekking tot het gebied dat ontstaat rond de grens die twee of meer entiteiten van elkaar scheidt. Bij de geboorte of verschuiving van dergelijke grens komen er stukken land tot stand waarover onzekerheid heerst tot wie ze in feite behoren. Deze onstabiele situatie zorgt voor een grens die regelmatig verschuift, maar heeft ook gevolgen op het terrein zelf. Wie heeft namelijk de jurisdictie over dergelijke gebieden? Aan welke overheid dient men belastingen te betalen en van welke staat verkrijgen ze militaire bescherming?

Deze en vele andere vragen rond dit thema worden bestudeert door borderland studies. Hieronder verstaan we de comparatieve studie naar internationale grenzen en de regio’s hier rondom. Hierbij worden economische (wie mag waar handelen en wie int de belastingen?), militaire (verovering van steden en bouwen van versterkingen), juridische (wie mag recht spreken in deze gebieden?), en religieuze (controle op naleving door staat opgelegde godsdienst) aspecten van deze problematiek onder de loep genomen. Deze studie kan zich enerzijds richten op het verre verleden of anderzijds op de moderne tijd en zelf op actuele gebeurtenissen doordat er een interdisciplinaire brug wordt gebouwd tussen geschiedkundig onderzoek enerzijds en politieke wetenschap anderzijds. Beide zijn dan wel verschillende academische disciplines, rond dit thema kunnen ze best veel van elkaar leren.

Mijn interesse rond border studies en borderland studies werd gewekt in de geschiedkundige hoek van dit thema, ik schreef mijn eerste paper als aspirant-historicus namelijk over een illuster Fransman uit de tweede helft van dillus-louis-mandrine 18e eeuw. Dit personage, een smokkelaar genaamd Louis Mandrin, bracht zijn dagen al plunderend en smokkelend door in de grensstreek tussen Frankrijk, Zwitserland en Savoy. Deze streek gold als borderland aangezien er destijds ook problemen gekend waren met wisselende jurisdicties, een moeilijke militaire controle en kwesties in verband met het ophalen van de belastingen. Vooral dit laatste is van groot belang voor het personage dat ik destijds bestudeerde. De belasting op goederen werd in Frankrijk vanaf de jaren 80 van de 17e eeuw geint door een dienst die hiervoor speciaal was opgericht; de Ferme Générale. Deze instantie werd, door de grote bedragen waarvoor zij moest instaan, al snel veel machtiger dan eerst bedoeld. Door corruptie, machtsmisbruik en politieke spelletjes hadden ze dermate veel macht verworven dat ze in veel gebieden de leiding hadden verworven over het doen en laten van de bevolking aldaar. En dan vooral in de grensstreken, waar veel goederen binnen kwamen, was hun imperium aanzienlijk. Door eerdere confrontaties met de Ferme Générale, een gewelddadige jeugd en een neus voor crimineel opportunisme begon Mandrin in de 18e eeuw gigantische smokkeloperaties uit te voeren die hem veel roem brachten onder de lokale bevolking waaraan hij de niet-getaxeerde, en bijgevolg goedkopere, goederen kon leveren.

Mandrin vormt slechts een enkel, weliswaar spectaculair, voorbeeld uit de geschiedenis dat interessant kan zijn voor borderland studies. Er zijn, naast dat van deze heldhaftige smokkelaar, ontelbaar meer case-studies die ons meer vertellen over het reilen en zeilen van grensregio’s op allerhande vlakken doorheen de gehele geschiedenis, of zelf in verband met actuele internationale conflicten. Voor dit artikel kan het anders bekijken van dergelijke actuele internationale conflicten voor een kritische analyse zorgen die deze conflicten mogelijk in een nieuw perspectief kan plaatsen en zo kan afgemeten worden tegen de berichtgeving hierover in de media.

Een dergelijk conflict dat zinvol kan zijn om van nader bij te bekijken is het huidige conflict in Oekraïne. Weliswaar ontsprong het conflict niet vanuit het verplaatsen of ontstaan van een grens, wel uit een gewelddadige revolutie ten gevolge van een al dan kortere toenadering met de Europese Unie, toch hebben borderlands hier wel degelijk een invloed. Allereerst is het Krimconflict van groot belang bij deze casus, hoewel de Krim een schiereiland is, en niet de klassieke vorm van een borderland kan aannemen, zijn er genoeg ukraine-2-19-1overeenkomsten en kenmerken die van de Krim een typische borderland kunnen maken. Toen de Krim in maart 2014 door Rusland geannexeerd werd, was er echter geen consensus onder de bevolking over deze annexatie. De bevolking van de Krim bestaat namelijk voor ongeveer twaalf procent uit Krim-Tartaren. Deze oorspronkelijk islamitisch Turkse bevolking is voor het overgrote deel tegen een aanhechting met Rusland doordat ze tijdens de Sovjet periode door Stalin gedeporteerd werden en hiertegenover nog steeds wrange gevoelens hebben. Daarnaast zijn er op het schiereiland ook heel wat Oekraïners die eveneens tegen de aanhechting met de Russische Federatie gekeerd zijn. Het conflict tussen voor- en tegenstanders van de verplaatsing van dergelijke grens is typisch voor een borderland en bepaalt ook voor een groot deel wat er op politiek vlak ondernomen wordt in het grensgebied. Ook opmilitair vlak is de Krim van groot belang voor beide landen, Rusland heeft de haven van Sebastopol namelijk al tientallen jaren in pachtleen van de Oekraïense staat om plaats te bieden aan een deel van de Russische vloot. Deze haven is van dermate groot militair belang door de directe toegang tot Zwarte Zee en de Zee van Azov. De inname van de Krim was hoogstwaarschijnlijk een last resort om dit strategisch punt te behouden.

Naast de Krim kent het conflict in Oekraïne nog tal van andere gecontesteerde grensgebieden waar de macht vaak wisselt tussen pro-Russische rebellen en regeringstroepen. Vooral het Oosten van Oekraïne lijdt zwaar onder de machtsstrijd tussen deze facties. Ondertussen hebben de separatisten de steden Donetsk en Luhansk in hun greep, maar steden als Mariupol kennen een constant duw- en trekwerk tussen het Oekraïense leger en de separatisten. Mariupol vormt, als grootste industriestad van het land, een populair doelwit. Beide landen willen deze stad, die een vierde van de totale uitvoer van Oekraïne op zijn rekening kan Russia_Ukraine_Crimea2_Reuters_360schrijven, maar al te graag in hun eigen kamp zien. Dit industrieel bolwerk vormt bijgevolg de ideale gevalstudie om de economische uitdagingen van een borderland aan te tonen. Deze economische factoren zijn nauw verwant aan de militaire factoren die een betwist grensgebied met zich meebrengt. Wie namelijk kan uitpakken met een het aanbieden van om en beide 30000 jobs –want dat is hoeveel mensen er werken in de grootste staalfabriek van de stad- heeft natuurlijk meteen een stapje voor op de vijand.

Verder zorgen dergelijke conflicten natuurlijk ook voor humanitaire en juridische problemen in de gebieden waar de conflicten plaats hebben. Aangezien er op de meeste momenten niet duidelijk is wie er recht moet spreken en/of zorg moet dragen voor de bevolking, is deze vaak de grootste gedupeerde. Omdat het grensgebied een niemandsland wordt, vallen de gezondheidszorg, politie, rechtspraak, voedselvoorziening en hulpdiensten volledig of gedeeltelijk weg en blijven de inwoners alleen achter. Het is hierdoor dat gewapende conflicten uiterst vaak uitdraaien op een penibele humanitaire situatie. Deze is hierbij ook een ernstig gevolg van een borderland. Ook in het Oosten van Oekraïne is dit een bekend tafereel: een bevolking die vast zit tussen twee linies en die door beiden dagelijks worden gebombardeerd met burgerslachtoffers als gevolg, die daarenboven niet de juiste medische hulp kunnen ontvangen door een gebrek aan logistieke en medische diensten.

Deze gevalstudie vormt het perfect voorbeeld van een borderland en de problemen die deze met zich mee brengt. Hiervan zijn er in de geschiedenis en in de actualiteit nog ontelbare andere voorbeelden op te noemen. Het begrip van borderland zorgt ervoor dat we soortgelijke situaties in een concept kunnen gieten en zo in context kunnen leggen. Het legt daarnaast ook, zoals hierboven reeds vermeldt, een verbinding tussen de historische en politieke wetenschap en zorgt er zo voor dat er context en duidelijkheid kan geschept worden over de internationale conflicten die de wereld toen en nu bezig hielden en nog steeds houden. Met dit concept en dit artikel is dan wel niet het volledige grensbegrip verklaart, toch is er duidelijkheid gebracht rond de problemen die zich voordoen op en rondom grenzen.

Goran Verluyten

Het Hellenisme – Hoe Alexander de Grote voor een fundering van het christendom zorgde.

alexanderdegrote

Hellenisme heeft meerdere betekenissen en kan dus vanuit verschillende invalshoeken worden bekeken. Naast een algemeen begrip voor het omvatten van de Griekse taal en cultuur, staat hellenisme ook voor het algemeen Grieks en paganisme. De betekenis uit de Handelingen der Apostelen is echter de connotatie die er het meest toe doet. Hierin wordt de term gebruikt om Griekssprekende jodenchristenen aan te duiden. Deze namen geleidelijk aan de Griekse cultuur en taal over en waren aanhangers van het christendom. Deze ‘Hellenisten’ legden de spreekwoordelijke fundering voor het christendom als wereldgodsdienst. In deze ontwikkelingen weerspiegelde zich een vermenging van Grieken en verschillende Oosterse volkeren.

Dit begrip is in het algemeen ontstaan in de hellenistische periode die start in 336 v.C. bij het aantreden van Alexander de Grote als koning van Macedonië en weer ophoud in 30 v.C. wanneer de romeinen het grootste deel van het Macedonische rijk innamen. Deze hellenistische periode eindigt dan wel in 30 v.C., de beschaving loopt nog een tijdje door.  Er kan zelfs beweerd worden dat deze beschaving nog steeds aanwezig is in onze hedendaagse maatschappij, bijvoorbeeld in de vorm van het christendom, dat zijn wortels kan terug vinden in de Hellenistische periode. Ook het idee van vrijheid is hierdoor ontstaan.

Deze ontwikkelingen vinden hun oorsprong in de veroveringstochten van Alexander de Grote die zorgden voor een universeel rijk en een hellenistische cultuur. Deze hellenistische cultuur werd na de dood van Alexander en de opsplitsing van zijn rijk voortgedragen door drie opvolgingsstaten; het Antigoniedenrijk dat Macedonië, Griekenland en Thracië omvat; het Ptolemaeënrijk met als centrum Egypte; en het Selcukiedenrijk dat het Aziatisch gedeelte van het Alexanderrijk omvatte. In deze rijken gold een machtsoefening tussen de onafhankelijke poleis enerzijds en het koninkrijk anderzijds. Ook dit verband stamt uit de tijd van het rijk van Alexander. De poleis hielden dan wel gedeeltelijk hun onafhankelijkheid, de effectieve macht lag in feite bij de vorsten. De steden waren de dragers van de Griekse cultuur en herbergden een kosmopolitische bevolking. Op deze manier werd de Griekse cultuur verspreid tot in de Indusvallei. Deze verspreiding werd vooral gedragen door Griekse kolonisten die gedurende de 5e eeuw uitweken over het oostelijke deel van de bekende wereld. Zo werd de koîne de handel-, cultuur- en wereldtaal in een groot deel van de bekende wereld en zorgde het voor een succesvol unificatieproces.

Hoewel een contradictie, zorgde dit kosmopolitisme ook voor een verhoogd individualisme. Dit oxymoron vond vooral zijn uiting in de godsdienst. Door de verzwakking van de polis en het bijgevolg wegvallen van een warm nest voor het individu, moest men elders heil gaan zoeken. Dit vond men vooral terug in de mysteriegodsdiensten, waar gelijkgezinden zich verenigden in cultusgenootschappen. Ook beroepsverenigingen met een eigen cultus waren hiervan een uiting. Dit alles zorgt voor makkelijke overgang naar het monotheïsme van het christendom in de late oudheid.

De internationalisering die het gevolg was van de veroveringstochten zorgde voor een groei van de wetenschappelijke ontwikkelingen. Vooral de ontdekking en verkenning van nieuwe geografische gebieden zorgde voor nieuwsgierigheid en een drang naar universele kennis. Zo kende de wetenschap in Alexandrië een hoge vlucht als gevolg van de stichting van belangrijke onderzoekscentra. Met enkele belangrijke geleerden en nieuwe inzichten in de astronomie, geografie, geneeskunde, anatomie, filologie, geschiedschrijving en fysiologie werden enkele steden een centrum van wetenschap en cultuur. Maar ook de wapenwedlopen in de oorlogen en veroveringstochten leidden tot spectaculaire technologische verwezenlijkingen, vooral in de scheepsbouw en de belegeringskunst.

Het ‘Grieks’ zijn is geen principe van afkomst of ras, men maakt het onderscheid namelijk tussen barbaren en Grieken op vlak van mentaliteit. Een Griek is diegene die zich de Griekse cultuur eigen maakt, het is dus een manier van denken, opvoeding en cultuur. Een voorbeeld voor dit collectief bewustzijn, zijn de panhelleense spelen. Dit collectief bewustzijn ging gepaard met een gevoel van Griekse superioriteit. Alexander hield echter een fusiepolitiek aan met de Perzen waardoor er steeds meer oosterse gewoonten werden vermengd met de Griekse cultuur. Deze maatregelen werden na de dood van Alexander opnieuw ingetrokken. Er werd daarna weliswaar rekening gehouden met de inlandse culturen door de Hellenistische vorsten. Deze dubbele standaard zorgde heel vaak voor een maatschappij met twee gezichten, waarbij de Griekse en de binnenlandse cultuur zonder veel problemen naast elkaar konden overleven. De Griekse cultuur had echter nog steeds het overwicht.

De stoa of de stoïcijnen kwamen als eerste met het denkbeeld van een universele maatschappij waarin iedereen gelijk was, zijnde Griek of barbaar. Deze gedachte van gelijkheid werd door de vergriekste joden, de zogenaamde Hellenisten, overgenomen en stelden aan de hand van het christendom dat elke mens door Christus was gered en bijgevolg als gelijke kan gezien worden. Dit maakt van het christendom een universele godsdienst. Een godsdienst die geboren werd in het nest van het hellenisme.

Artikel als samenvatting van ‘Het hellenisme of de globalisering van de antieke wereld’ van Prof. Hans Hauben in ‘Nieuw tijdschrift van de Vrije universiteit Brussel’.

Goran Verluyten

HAUBEN, H., ‘Het hellenisme of de globalisering van de antieke wereld’, Nieuw tijdschrift van de Vrije universiteit Brussel, 13 (2000), 77-106.