Longread: de invloed van de Tachtigjarige oorlog op het ontstaan van de universiteiten in de Noordelijke Nederlanden.

Van protest naar institutionalisering

Op 10 augustus 1566 verspreidde de Beeldenstorm zich vanuit Steenvoorde over de gehele Spaanse Nederlanden. Het zogenaamde wonderjaar ging van start en luidde het begin in van een langdurig en complex conflict: de Tachtigjarige Oorlog, soms beter bekend als de Nederlandse Opstand. Deze opstand, gestart in 1566, hield uiteindelijk aan tot de ondertekening van de Vrede van Munster in 1648.[1] Verschillende Nederlandse gewesten vochten in deze oorlog voor hun onafhankelijkheid ten opzichte van de Spaanse kroon. Ze verenigden zich, onder leiding van Willem van Oranje, om hun doelen te bereiken en zich te organiseren. Terwijl deze evoluties zich voltrokken, tekenden nieuwe grenzen zich af. Deze grenzen stonden niet vast en elke ontwikkeling op politiek of militair vlak kon dan ook voor een verschuiving zorgen.[2] Bovendien ging het dagelijkse leven in beide gebieden gewoon door. Hierbij stootten beleidsvoerders regelmatig op problemen. Een land dat plots in twee verschillende entiteiten verdeeld was, moest op verschillende gebieden aangepast worden aan de situatie. Ook het academische leven in beide gebieden was aan enkele veranderingen onderhevig.

Ondanks het conflict hadden beide gebieden, net als voorheen, nood aan bekwame ambtenaren en academici. Om zich aan te passen aan de veranderende situatie voerden de universiteiten verschillende hervormingen door. Vooral in de jonge Republiek stond ook het stichten van nieuwe instellingen hoog op de agenda. Hier waren tot voor de opstand geen universiteiten en week men voor een academische studie vooral uit naar Leuven. Door de oorlog werd een studie in Leuven bemoeilijkt en was de Republiek vooral op zichzelf aangewezen. Met de stichting van de Leidse universiteit in 1575 kregen de Noordelijke Nederlanden hun eigen universiteit. In deze longread zal ik uiteenzetten hoe de universiteiten in de Noordelijke Nederlanden ontstonden en hoe de enorme vluchtelingenstroom ten gevolge van de voortdurende oorlogsdreiging daar een grote bijdrage aan leverde.[3]

 

Het Leidse Ontzet en de komst van de universiteit

Leiden, dat tot 1572 trouw was gebleven aan de Spaanse kroon, werd in 1574 ontzet na een maandenlange belegering door de watergeuzen, nadat deze de dijken hadden doorgestoken en zo de Spaanse legerkwartieren onder water lieten lopen.[4] Het Leidse ontzet bracht de stad dichterbij de prinsgezinden en vooraanstaande Leidse notabelen engageerden zich voor de verdediging van de stedelijke belangen. In de periode die hierop volgde, werd de stichting van een universiteit in de Republiek een prioriteit. De Spaanse kroon stuurde aan op vredesonderhandelingen en de Oranjegezinden wilden de stichting van de universiteit voltooien voordat de vredesonderhandelingen van start gingen. Dit om te voorkomen dat de stichting van een eigen universiteit tijdens deze onderhandelingen onmogelijk werd gemaakt. Daarom was er heel wat haast bij de oprichting van deze instelling.[5] De leiders van de opstand begonnen de nieuw gestichte staat te institutionaliseren en Leiden begon zich na de ontzetting steeds meer te profileren als de ideale plaats om een universiteit te huizen.[6]

De bevelhebber tijdens de tweede belegering en de ontzetting van de stad, Jan van der Does, was een ware duizendpoot. Naast leidinggevend figuur van de troepen in Leiden, was hij geleerd filoloog en maakte hij deel uit van het Eedverbond der Edelen. Dit verbond klaagde in 1566, via een smeekschrift, nog de vervolgingen van protestanten door de Spaanse overheid aan. Dit, in combinatie met zijn academische carrière als bibliothecaris en overtuigd humanist, maakte van hem de perfecte kandidaat om met de oprichting van de universiteit van start te gaan.[7]

Van der Does, overtuigd door Humanisme en universeel idealisme, voltooide de stichting binnen enkele weken en zorgde ervoor dat de universiteit al op 8 februari 1575 plechtig kon worden geopend. Het bleef louter bij een symbolische opening, omdat er nog amper professoren waren, en ook studenten bleven nog voor enige tijd afwezig.[8]

Toch had de aanhoudende oorlog een langzaam stijgend studentenaantal tot gevolg. Het werd voor veel personen uit de Noordelijke Nederlanden onmogelijk om een academische studie in Leuven te volgen en velen moesten dus uit noodzaak uitwijken naar Leiden. Daarnaast bracht het conflict een vluchtelingenstroom van Zuid naar Noord op gang. Vooral vanaf 1585, bij de val van Antwerpen, namen veel inwoners van de Zuidelijke Nederlanden de beslissing om de oorlogsdreiging te ontvluchten. Hierbij zochten ze veiligere oorden op in het Noorden. Het kapitaal en hun knowhow namen ze mee over de verschuivende grens. Dit zorgde meteen voor een influx van kennis in de instellingen van de Noordelijke Nederlanden, waaronder de Leidse universiteit. De vluchtelingenstroom bracht nieuwe studenten en professoren naar Leiden, waardoor de universiteit eindelijk kon gaan functioneren.[9]

 

Leiden als Bolwerk der Vrijheid

Van der Does, ook wel Dousa genoemd, nam dus samen met een aangesteld college het voortouw bij de oprichting van de universiteit. Net als Dousa had ook het college een voornamelijk humanistische visie op het leven. Deze visie ging ervan uit dat een humanistische scholing een betere samenleving kon voortbrengen. Ze hoopten via de universiteit deze gedachten uit te dragen, om zo de godsdienstige twisten die de oorlog veroorzaakten, te overstijgen. De instelling onderscheidde zich al vlug van de universiteiten aan de andere kant van de grens door haar relatieve openheid en religieuze tolerantie ten opzichte van de buitenwereld. Hierdoor groeide Leiden uit tot een ontmoetingsplaats voor academici van diverse strekkingen, zijnde katholiek of protestants. Deze open blik op het leven en de wetenschapsbeoefening trok een internationaal gamma van vooropstaande geleerden aan, waaronder Justus Lipsius.[10]

Deze geleerde is het levende voorbeeld van de invloed die de Tachtigjarige Oorlog had op het academische leven in de Nederlanden. Lipsius startte zijn studie aan het Leuvense Alma Mater in 1564, waarna hij een tijd in Rome verbleef om zich daar in de verschillende bibliotheken te verdiepen. Kort daarna kwam hij weer in Leuven terecht om daar zijn studie voort te zetten. In 1578 was de oorlogsdreiging in Leuven echter te groot geworden en besloot Lipsius te vluchten naar de Noordelijke gewesten. Hier kwam hij met hulp van zijn kennis en vroegere studiegenoot, Dousa, terecht aan de Leidse universiteit. Met behulp van Dousa kon Lipsius colleges geven in recht en geschiedenis en op deze manier bijdragen aan de groei van de jonge instelling.

Hoewel Justus Lipsius Leiden enkele jaren later alweer verliet en in Mainz opnieuw trouw zwoer aan het katholicisme, is zijn bijdrage van onschatbare waarde geweest voor de universiteit en zijn verdere groei. Vele intellectuelen volgden het pad van Lipsius en vonden een tolerante vrijhaven in Leiden, nadat de toestand in het Zuiden steeds penibeler werd. Bij de val van Antwerpen in 1585 kwam deze stroom pas echt op gang, toen de oorlogsverschrikkingen velen deden vluchten op zoek naar een beter leven.[11]

 

Franeker en zijn theologische faculteit

De vluchtelingenstroom reikte echter verder dan Leiden. De grootste delen van de Noordelijke Nederlanden ondergingen een instroom van oorlogsvluchtelingen. Toch hadden deze vluchtelingen slechts een kleine invloed op de stichting van de tweede oudste universiteit in het Noorden. Deze universiteit, gelegen in de Friese stad Franeker, trok een onbeduidend aantal Zuid-Nederlandse studenten aan. De universiteit werd in 1585 gesticht als calvinistische universiteit om te voorzien in colleges voor studenten die niet konden afreizen naar Leiden en die bovendien in conflict lagen met de tolerante houding van Leiden ten opzichte van de katholieke leer. Het kleine aantal studenten afkomstig uit het Zuiden bestond voornamelijk uit hardline calvinisten, die gevlucht waren uit Leuven en waarvan de religieuze gedachtegang niet strookte met die van de Leidse universiteit.

De Oranjes en hun calvinistische raadsheren zagen Franeker als een machtsbasis voor het uitdragen van de calvinistische leer. Vandaar dat de theologische faculteit al snel de hoogste populariteit kende. Vanaf 1585 begonnen de machthebbers in het Noorden meer en meer te beseffen dat de institutionalisering van de staat prioriteit moest krijgen. De uitbouw van een eigen godsdienst, de protestantse, speelde hierbij een belangrijke rol. Om dit te bereiken was de opleiding van geestelijken noodzakelijk en hierin speelde Franeker de hoofdrol. De dominees die een academische opleiding hadden genoten in Franeker, waren namelijk een belangrijk wapen in de strijd voor een onafhankelijk Noorden.[12]

 

Besluit

De eerstvolgende universiteit in het Noorden werd gesticht in Groningen in 1614, tijdens het Twaalfjarig Bestand. Hiermee voltooide de ondertussen gestichte Republiek der Verenigde Nederlanden voorlopig zijn academische infrastructuur. De opstand en de polarisatie met het Zuiden verplichtte de jonge staat tot de institutionalisering van een eigen onderwijsnet, dat verder ging dan de universitaire opleidingen. Zo werd er langzaamaan ook een net van particuliere lagere scholen en illustere scholen uitgebouwd. Met Leiden als voorbeeld volgden Franeker en Groningen al snel het academische avontuur. Elk van deze instellingen droeg, met behulp van vluchtende academici, bij tot de heropbouw van de wetenschappelijke wereld in het Noorden, zodat de Noordelijke Nederlanden tot een zelfstandige staat konden uitgroeien. Deze staat was op het vlak van hoger onderwijs niet langer afhankelijk instellingen in het Zuiden en bereikte zo een belangrijke mijlpaal in zijn onafhankelijkheid.

Goran Verluyten

Deze longread verscheen eerder op uitgeverij Jonge Historici.

NOTEN

[1] Israel, I., The Dutch Republic: Its Rise, Greatness, and Fall: 1477-1806 (Oxford 1995) 125-132.

[2] Blom, J. C.H., Lamberts, E., Geschiedenis van de Nederlanden (Amsterdam 2014) 138-145.

[3] Ruëg, W., A history of the University in Europe: Universities in Early Modern Europe, 3 dln. (Cambridge 1996) 115.

[4] Israel, The Dutch Republic, 179-190.

[5] Van Dorsten, De Leidse universiteit 400, 12.

[6] Blom en Lamberts, Geschiedenis van de Nederlanden, 135-140.

[7] Van Dorsten, J. A., De Leidse universiteit 400 (Amsterdam 1975) 10.

[8] Ibidem, 11.

[9] Briel, J., De Zuid Nederlandse immigratie 1572-1630 (Haarlem 1978) 56-58.

[10] Van Dorsten, De Leidse universiteit 400, 14.

[11] Esser, R., The Politics of Memory: The Writing of Partition in the Seventeenth-Century Low Countries (Leiden 2012) 211-215.

[12] Ottespeer, W., Werkplaatsen van Wijsheid, Geleerdheid en het Ware Geloof of de Wisselwerking tussen de Universiteiten van Leiden en Franeker (Franeker 1985) 7-25.

Het Hellenisme – Hoe Alexander de Grote voor een fundering van het christendom zorgde.

alexanderdegrote

Hellenisme heeft meerdere betekenissen en kan dus vanuit verschillende invalshoeken worden bekeken. Naast een algemeen begrip voor het omvatten van de Griekse taal en cultuur, staat hellenisme ook voor het algemeen Grieks en paganisme. De betekenis uit de Handelingen der Apostelen is echter de connotatie die er het meest toe doet. Hierin wordt de term gebruikt om Griekssprekende jodenchristenen aan te duiden. Deze namen geleidelijk aan de Griekse cultuur en taal over en waren aanhangers van het christendom. Deze ‘Hellenisten’ legden de spreekwoordelijke fundering voor het christendom als wereldgodsdienst. In deze ontwikkelingen weerspiegelde zich een vermenging van Grieken en verschillende Oosterse volkeren.

Dit begrip is in het algemeen ontstaan in de hellenistische periode die start in 336 v.C. bij het aantreden van Alexander de Grote als koning van Macedonië en weer ophoud in 30 v.C. wanneer de romeinen het grootste deel van het Macedonische rijk innamen. Deze hellenistische periode eindigt dan wel in 30 v.C., de beschaving loopt nog een tijdje door.  Er kan zelfs beweerd worden dat deze beschaving nog steeds aanwezig is in onze hedendaagse maatschappij, bijvoorbeeld in de vorm van het christendom, dat zijn wortels kan terug vinden in de Hellenistische periode. Ook het idee van vrijheid is hierdoor ontstaan.

Deze ontwikkelingen vinden hun oorsprong in de veroveringstochten van Alexander de Grote die zorgden voor een universeel rijk en een hellenistische cultuur. Deze hellenistische cultuur werd na de dood van Alexander en de opsplitsing van zijn rijk voortgedragen door drie opvolgingsstaten; het Antigoniedenrijk dat Macedonië, Griekenland en Thracië omvat; het Ptolemaeënrijk met als centrum Egypte; en het Selcukiedenrijk dat het Aziatisch gedeelte van het Alexanderrijk omvatte. In deze rijken gold een machtsoefening tussen de onafhankelijke poleis enerzijds en het koninkrijk anderzijds. Ook dit verband stamt uit de tijd van het rijk van Alexander. De poleis hielden dan wel gedeeltelijk hun onafhankelijkheid, de effectieve macht lag in feite bij de vorsten. De steden waren de dragers van de Griekse cultuur en herbergden een kosmopolitische bevolking. Op deze manier werd de Griekse cultuur verspreid tot in de Indusvallei. Deze verspreiding werd vooral gedragen door Griekse kolonisten die gedurende de 5e eeuw uitweken over het oostelijke deel van de bekende wereld. Zo werd de koîne de handel-, cultuur- en wereldtaal in een groot deel van de bekende wereld en zorgde het voor een succesvol unificatieproces.

Hoewel een contradictie, zorgde dit kosmopolitisme ook voor een verhoogd individualisme. Dit oxymoron vond vooral zijn uiting in de godsdienst. Door de verzwakking van de polis en het bijgevolg wegvallen van een warm nest voor het individu, moest men elders heil gaan zoeken. Dit vond men vooral terug in de mysteriegodsdiensten, waar gelijkgezinden zich verenigden in cultusgenootschappen. Ook beroepsverenigingen met een eigen cultus waren hiervan een uiting. Dit alles zorgt voor makkelijke overgang naar het monotheïsme van het christendom in de late oudheid.

De internationalisering die het gevolg was van de veroveringstochten zorgde voor een groei van de wetenschappelijke ontwikkelingen. Vooral de ontdekking en verkenning van nieuwe geografische gebieden zorgde voor nieuwsgierigheid en een drang naar universele kennis. Zo kende de wetenschap in Alexandrië een hoge vlucht als gevolg van de stichting van belangrijke onderzoekscentra. Met enkele belangrijke geleerden en nieuwe inzichten in de astronomie, geografie, geneeskunde, anatomie, filologie, geschiedschrijving en fysiologie werden enkele steden een centrum van wetenschap en cultuur. Maar ook de wapenwedlopen in de oorlogen en veroveringstochten leidden tot spectaculaire technologische verwezenlijkingen, vooral in de scheepsbouw en de belegeringskunst.

Het ‘Grieks’ zijn is geen principe van afkomst of ras, men maakt het onderscheid namelijk tussen barbaren en Grieken op vlak van mentaliteit. Een Griek is diegene die zich de Griekse cultuur eigen maakt, het is dus een manier van denken, opvoeding en cultuur. Een voorbeeld voor dit collectief bewustzijn, zijn de panhelleense spelen. Dit collectief bewustzijn ging gepaard met een gevoel van Griekse superioriteit. Alexander hield echter een fusiepolitiek aan met de Perzen waardoor er steeds meer oosterse gewoonten werden vermengd met de Griekse cultuur. Deze maatregelen werden na de dood van Alexander opnieuw ingetrokken. Er werd daarna weliswaar rekening gehouden met de inlandse culturen door de Hellenistische vorsten. Deze dubbele standaard zorgde heel vaak voor een maatschappij met twee gezichten, waarbij de Griekse en de binnenlandse cultuur zonder veel problemen naast elkaar konden overleven. De Griekse cultuur had echter nog steeds het overwicht.

De stoa of de stoïcijnen kwamen als eerste met het denkbeeld van een universele maatschappij waarin iedereen gelijk was, zijnde Griek of barbaar. Deze gedachte van gelijkheid werd door de vergriekste joden, de zogenaamde Hellenisten, overgenomen en stelden aan de hand van het christendom dat elke mens door Christus was gered en bijgevolg als gelijke kan gezien worden. Dit maakt van het christendom een universele godsdienst. Een godsdienst die geboren werd in het nest van het hellenisme.

Artikel als samenvatting van ‘Het hellenisme of de globalisering van de antieke wereld’ van Prof. Hans Hauben in ‘Nieuw tijdschrift van de Vrije universiteit Brussel’.

Goran Verluyten

HAUBEN, H., ‘Het hellenisme of de globalisering van de antieke wereld’, Nieuw tijdschrift van de Vrije universiteit Brussel, 13 (2000), 77-106.